1e prijs – categorie jong

Kil

De laatste tekenen van leven verdwenen wanneer ik de laatste soldaten uit het zicht verloor. Nog even hoorde ik stemmen, daarna alleen nog maar de ruisende wind. Over de rest van het uitgestrekte niemandsland was geen levend ding meer te bekennen. Een paar hulpeloze soldaten lagen bewegingloos over de klamme grond verspreid. Overal bevonden zich resten van kogels en geplaatste bommen, die omringd waren met roet. Het was zeker minstens vijftien graden onder het vriespunt, maar de wind zorgde ervoor dat alles onvoorstelbaar aanvoelde. Ik had absoluut geen idee of we nu aan het terugtrekken waren of dat we op weg waren naar onze volgende bestemming.

Wat ik wel wist, is dat ik door moest blijven lopen. De kou was bijna ondragelijk. Sneeuw begon weer te vallen zodat de witte laag over de grond werd aangevuld. De sneeuwvlokken raasden in grote snelheid tegen mijn gezicht aan. Het stak. Elk sneeuwkristal gaf mij een flits van pijn door mijn lichaam, vooral toen ze tegen mijn verwondingen dwarrelden.

Ik begon me af te vragen of hij er ook zoveel last van had. Ik verstevigde mijn grip om zijn lichaam: één arm onder zijn oksel, de ander om zijn middel om hem overeind te houden. Met zoekende ogen probeerde ik een redelijke plaats voor een tijdelijke rust te vinden, maar die was er niet. Overal lag een flinke laag van de bevroren massa. Na een minuut of vijf, die wel als uren aanvoelden, vond ik een kuil die waarschijnlijk was gevormd door een landmijn. Daar was de bodem nog niet volledig bedekt met sneeuw. Door een paar grote stappen te zetten bevond ik me al snel bij de kleine krater. Met zorg legde ik het half onbewuste lichaam tegen de helling aan en knielde vervolgens voor hem neer. Hij kromp ineen toen de met sneeuw gevulde wind tegen zijn verwonde buik aan blies. Hij was ook verwond aan zijn been en voorhoofd, maar de wond in zijn torso was het diepste. Medicijnen had ik niet in mijn bezit, die waren te vinden in het kamp. Ik moest het doen met de spullen die ik bij had. Mijn geweer was ik ergens op het slagveld verloren. Verder had ik alleen nog een veldfles, waar nog een bodempje water in klotste, en mijn beschadigde kleren. Met een ruk trok ik een lap stof van mijn broek, en ik wikkelde het zeer voorzichtig over de buik van de jongeman voor me, waarna ik een platte knoop op zijn onbezeerde zij legde. Hij ademde op een ongezonde manier. Zijn lichaam was gespannen en rilde constant. Hij zat licht voorover gebogen, zodat hij niet teveel last had van de kou die tegen zijn gezicht zou blazen.

“Ik weet niet,” begon hij, maar hij stopte doordat hij moeite kreeg met zijn ademhaling. Ik keek hem aan tot hij zijn zin afmaakte. “Ik weet niet of ik het haal.”
Ik gaf hem een ongeloofwaardige blik, maar vanbinnen joeg het mij vrees aan. Terwijl mijn ogen de zijne ontweken, pakte ik mijn veldfles en zette het tegen zijn droge lippen. Een deel van het water stroomde langs zijn mond. “Als iemand het haalt, ben jij het wel.” moedigde ik hem aan. Hij was een goed persoon, hij zat altijd vol met energie. Helaas was hij zijn enthousiasme aan het verliezen sinds we voor de oorlog waren gezonden. Hij reageerde een lange tijd niet op wat ik zei. Zijn gezicht was naar de grond gericht, nog steeds rillend. Toen merkte ik op dat er een traan over zijn wang rolde.

“Waarom laat je me niet gewoon achter? Dit ben ik niet waard.” zei hij zachtjes. Ik schudde mijn hoofd. Dat kan ik niet, dacht ik. Zijn ogen ontmoetten ze mijne weer. Ze waren verdrietig en gebroken. Ik bracht mezelf weer overeind. Hij deed een aantal pogingen tot opstaan, maar hij kon zichzelf niet optillen. Ik krulde mijn arm weer stevig om zijn middel om hem overeind te helpen. We begonnen weer met lopen.
“Vrienden laten elkaar niet achter in de sneeuw,” gaf ik oprecht toe. Hij glimlachte vermoeid. Door een vergelijkbare reden waren we ook vrienden geworden. Mijn ouders stierven een paar jaar terug, ook door die afschuwelijke oorlog. Toen dat gebeurde leerde ik hem kennen en heeft hij me samen met mijn zus er doorheen gesleept. Waarom we vrienden waren, heeft niemand begrepen. Zelfs ik niet. We hadden niets met elkaar gemeen maar ik ben blij dat hij op het juiste moment in mijn leven is getreden.

De wind begon sneller te waaien. De neerslag was zo dik dat ik nog nergens iets zag dat ons hoop bood. Bij de volgende stap zakte hij door zijn benen en hij viel in de sneeuw. Zijn gezicht was lijkbleek, wat angst bij mij opwekte. Zonder erover na te denken schoof ik een arm onder zijn benen door, de andere arm plaatste ik onder zijn schouderbladen. Ik tilde hem vervolgens op.

“Je gaat het toch niet nu al opgeven, toch?” zei ik speels, maar hij reageerde niet. Zijn ogen waren half gesloten, en zijn ademhaling was zwaar en rochelend. Ik liet niet blijken dat ik in paniek aan het raken was, dus ik stapte in een redelijk tempo verder over de oneindige vlakte. Ik beschermde zijn lichaam tegen het weer zover als het kon. Zijn ademhaling werd zwaarder, hij had er duidelijk moeite mee. Hij rilde meer, alsof het een soort schokken waren. Zijn ogen sloten na enkele momenten. “Blijf bij me,” fluisterde ik. Ik drukte hem dichter tegen me aan en ik begon sneller te lopen. Op een gegeven moment voelde ik mijn pak nat worden. Het kwam niet door de sneeuw, omdat het warm aanvoelde. Toen ik hem weer aankeek zag ik wat het was:

Er rolden dikke tranen over zijn gezicht en nog iets roods. Bloed. Zijn ogen staarden mij aan, vol angst. Binnen een enkele seconde was alle emotie weg. Terwijl ik ook de zoute tranen proefde, maakte ik een laatste sprint door de sneeuw. Al vond ik maar iets. Al was het maar voor hem.
Het was een kille winter.

Marleen Roncken (15 jaar)

Deel deze pagina met jouw wereld.
     

    Volg ons op FaceBook

    Nieuwsbrief





     
    Wintertuin op FacebookWintertuin op TwitterWintertuin op HyvesWintertuin op YouTubeWintertuin op flickrWintertuin op Google Maps

    Winkelwagen

    Uw winkelmandje is leeg, ga naar de shop »