2e prijs – categorie jong
Gwyn is mijn naam. Ik woon in ’s-Hertogenbosch, Holland. Samen met mijn ouders en zusje ben ik vier jaar geleden vanuit Wales naar hier gekomen. Niet uit vrije wil, maar noodgedwongen. Mairi, mijn moeder, werd als heks beschuldigd en mijn vader, voormalig priester, kon niets anders doen dan ons mee te nemen en te vluchten. Anders zouden ze zeker onze hele familie uitroeien.
Zondagochtend, de kerkklokken luiden. Hand in hand loop met Sian, mijn zusje, over de markt. Het is een frisse lentedag, en de zon komt al fel stralend boven de daken uit. Een koele bries zorgt voor een rilling langs mijn rug, hoewel ik het niet echt koud heb. Het is bedrijvig op het plein, mensen stromen de kerk uit. Papa verbiedt het ons niet te gaan, maar inmiddels hebben we geen vertrouwen meer in het geloof, noch in God. We gaan enkel uit angst dat we teveel zullen opvallen. Want dat mag niet gebeuren. ‘Gwyn, gaan we naar meneer Bosch, ik heb hem beloofd dat ik zou komen na de dienst.’
Nu voel ik toch echt een koude rilling langs mijn rug en laat Sians hand los. Ik ben als de dood voor die man met zijn enge schilderijen. Sian niet. Sian vindt hem fascinerend, en andersom ook. ‘Je hebt een bijzonder intrigerend zusje, meisje,’ had Bosch een keer tegen me gezegd, terwijl hij dwars door me heen leek te kijken.
‘Alsjeblieft?’ Sians toon klinkt zeurderig. Ik knik stijfjes en loop richting het huis met de groene gevels.
‘Nee,’ hoor ik mijn zusje zeggen, ‘hij is niet thuis. Hij is in het atelier. Ik mag als eerste zijn nieuwste schilderij zien!’ Ze huppelt richting zijn werkplaats, vlak aan de rand van de Markt. Ik durf niet te zeggen dat ik niet mee wil, dus ren ik maar achter haar aan.
Sian is al vaak in zijn werkplaats geweest, ze komt er graag. Zelf ben ik een paar keer binnen geweest, maar alleen in het voorvertrek. Om Sian op te halen, en dat gaat altijd met tegenzin.
Jheronimus Bosch staat buiten als we aankomen. Diep in gedachten verzonken kijkt hij naar vier duiven die op de gevel zitten te koeren. Zijn groene jas zit vol verfvlekken.
‘Ah, Sian,’ zegt hij, zijn blik nog steeds gericht op de vogels. ‘Ik verheugde me al op je komst.’ Het stoïcisme druipt er vanaf. Sian giechelt.
‘Hoe wist u dat ik het was, meneer Bosch?’ De man draait zich langzaam om.
‘De manier waarop je loopt, kind.’ Een grimas bedekt zijn bruingetinte gezicht.
Eenmaal binnen lijkt hij pas op te merken dat ik er ook ben. Met een ernstig gezicht zegt hij: ‘Gwyn Maeve Arrith, het is me een eer u te verwelkomen in mijn nederige werkplaats.’
Ik schrik, niemand gebruikt hier onze achternaam. Dat kan gevaarlijk zijn, en Sian weet dat heel goed. Toch heeft ze zich ooit versproken, en sindsdien heeft Bosch ons behandeld alsof we van adel waren. Dat heb ik nooit begrepen.
Gegiechel van Sian. Ik kijk de schilder nors aan, en voel dat er een koppige rimpel in mijn voorhoofd ontstaat. Bosch besteedt geen aandacht aan mijn onbeleefdheid en leidt ons naar zijn atelier. Ik heb kippenvel, en dat is niet te wijten aan koude. Aan de grauwe muren hangen zijn zogenaamde meesterwerken. Gefascineerd worden ze door Sian bekeken, waarschijnlijk niet voor de eerste keer. Ik wil dat ze doorloopt, snel dat nieuwe schilderij bekijkt zodat we weer kunnen gaan. Pas vijf minuten later, als alle schilderijen in de gang bekeken zijn, lopen we door naar het atelier. Het is er ongewoon donker voor een schilderswerkplaats lijkt me, maar wie ben ik om daar wat over op te merken. ‘Geachte Sian, geachte Gwyn,’ begint Jeroen Bosch. ‘Aanschouw hier, mijn nieuwste kunstwerk.’ Hij zegt het zo plechtig dat Sian er van moet lachen. Langzaam trekt hij de groene doek van de schildersezel en mijn mond valt open van verbazing. Voor de derde keer vandaag loopt er spontaan een rilling over mijn lijf. Op het schilderij staan afschuwelijke taferelen afgebeeld. Een vrouw ligt bebloed op de grond, omringd door kleine apen die lijken te glimlachen. In een hoek dansen duiveltjes om een vuur, en in weer een andere hoek staat een guillotine afgebeeld. Een mand met een hoofd erin staat er naast. ‘Dit is toch verschrikkelijk,’ hoor ik mezelf hardop zeggen. Ik sla mijn hand voor mijn mond en voel dat ik rood word. Maar Jeroen Bosch kijkt niet boos of verbaasd, eerder zelfvoldaan. ‘Gwyn, Gwyn…Er zit zoveel pracht in woede, boosheid en verafschuwing. Op een dag zal je het zelf ook begrijpen.’ Ik weet zeker dat ik dat nooit zal begrijpen. Sian zegt niets en blijft nog enkele minuten naar het weerzinwekkende stuk stof staren. Ik probeer haar reactie te peilen maar word niets wijzer.
Even later staan we buiten. ‘Het was mooi,’ zegt Sian opgetogen. ‘Zag je die duiveltjes? Eentje ervan leek op de priester, vond je ook niet?’
Ze is gek, denk ik. Zwijgend lopen we richting de Zuid-Willemsvaart. Het marktplein is ondertussen bijna leeg, op een paar bedelaars na. Als we de brug oversteken komt vader ons tegemoet gerend. Hij lijkt opgewonden, en Sian rent naar hem toe. ‘Vader! Vader! Ik heb net…’ Ze kan haar zin niet afmaken of mijn vader schreeuwt: ‘Gwyn, Sian! Kom nu naar huis! Ze hebben mama opgepakt. Ze komen ons halen!’
Leanna Vis (16 jaar)