2e prijs – categorie oud

Het gezicht van Loki

Hij is een god zonder gelijke; een genadeloos individu. Hij beheerst het vuur en bezit de macht om van gedaante te veranderen. Zijn kinderen zullen eens de wereld vernietigen en de ondergang van alles bewerkstelligen, terwijl hij zelf als laatste zal vechten met Heimdall. Hij is de bloedbroeder van de oppergod, maar toch zoon van reuzen. Hij is de levende incarnatie van tegenstrijdigheid.

Zijn naam is Loki.
Over Loki worden niet veel verhalen verteld; zelfs de barden zwijgen liever over hem. Men is bang dat over hem spreken hem meer macht zal geven, dus zwijgen ze liever.

Toch is er een bard die over Loki durft te spreken. Op een nacht, toen het stormde en we onze toevlucht zochten in een herberg in een klein stadje, vertelde hij me het volgende verhaal.

Het gezicht van Loki

Een veel gestelde vraag over Loki is of er een manier is om hem te herkennen als hij op aarde komt; hij is immers een kwaadaardige god die met een duivels genoegen mensen voor de gek houdt of aan zijn vreselijke grappen onderwerpt. Helaas moet men het antwoord op deze vraag schuldig blijven. Zijn vermogen tot gedaanteverwisselen is zodanig dat hij in een oogwenk een ander mens kan zijn.

Toch is er een opmerkelijke overeenkomst in alle verhalen over zijn verschijningen op aarde. In elk van deze verhalen neemt hij meerdere verschillende gedaanten aan. Er lijkt echter een gedaante te zijn die steeds weer opduikt; een jongeman met rood haar en groene ogen, die met zijn charmes iedereen voor zich wint.

Er zijn mensen die zeggen dat dit zijn ware gedaante is, deze charmante verleider. Hij is echter een van de oudsten onder de Asen, nog ouder dan Odin zelf, met wie hij in diens jeugdjaren veel heeft rondgezworven. Het was tijdens een van deze omzwervingen dat Loki deze vermomming vond.

Het was laat op de avond en het regende dat het goot toen Odin en Loki samen, dodelijk vermoeid, bij een eenzame boerderij langs de weg aanklopten. De boer verscheen nors aan de deur.
“Wat moet je?” Vroeg hij aan Loki, die vooraan stond.

“Goede man,” antwoordde deze, “Mijn vriend en ik zijn door deze regen overvallen en vragen u om onderdak voor de nacht. We kunnen u goed betalen.”

De boer gromde. “Ik geef geen onderdak aan zwervers.” zei hij nors. “Van volk zoals jullie moet ik niets weten. Scheer je weg, ongedierte, of ik laat mijn hond op jullie los.”

Loki glimlachte zoals alleen hij dat kan; een grijns die te breed is voor een normaal mensengezicht, met veel te veel tanden. “Deze woorden zul je berouwen, boer.” Zei hij, zijn rug rechtend. “Vervloekt ben je! Dat je grond vergiftigd wordt en je gewassen verschrompelen. Zolang je leeft zul je geen rust meer kennen.”

Met deze woorden verdwenen de twee mannen in het niets. De boer keerde, nog steeds chagrijnig, terug naar zijn bed. De nacht leek rustig, zodat de boer zich ‘s morgens afvroeg of hij zich de ontmoeting in de nacht niet verbeeld had. Toen hij echter door zijn hoofdknecht naar buiten werd geroepen en zag dat al zijn gewassen ‘s nachts waren verschrompeld, begreep hij dat het ernst was.

Die avond werd er wederom aan zijn deur geklopt. Toen hij deze woest opende stond daar dezelfde man die hem de voorgaande avond vervloekt had, dit maal alleen. De boer vloekte en beval zijn knecht de hond te halen, waarop Loki smalend lachte. Op zijn bevel keerde de hond zich en viel de boer aan, waarbij hij hem ernstig verminkte. Loki had echter al zijn concentratie nodig om het woeste dier in bedwang te houden, zodat hij niet de knecht opmerkte die hem van achteren besloop.

Toen de knecht Loki in de nek sprong en hem tegen de grond werkte, werd zijn concentratie verbroken en kon de hond zijn meester loslaten. Jankend stortte het beest zich op degene die hij eigenlijk aan had moeten vallen; Loki. Met een haal van zijn machtige kaken had hij het gezicht van de god compleet weggebeten.

Loki brulde van woede en pijn en deed de hond met een vingerknip tot stof verbranden. De schade was echter al gedaan. Loki veegde het bloed uit zijn ogen en keek in een plas met regenwater, maar kon zijn eigen gezicht, hoe hij het ook probeerde, niet meer herkennen.
Loki wendde zijn gewonde gezicht naar de knecht, die bevend achteruit deinsde. Het was een jonge man, van een jaar of twintig, met opvallend rood haar en felgroene ogen. Loki grijnsde onmogelijk breed. “Jij nam me mijn gezicht af.” Zei hij, “Nu zal ik het jouwe nemen.”

Met deze woorden begon zijn gezicht te veranderen, en voor de ogen van de bibberende knecht verscheen zijn eigen gedaante. “En nu…” Zei Loki, zacht en dreigend, terwijl hij zijn mes uit de schede haalde, “… zal ik jouw gezicht door het mijne vervangen.”

De boer en de knecht werden de volgende ochtend door de andere knechts gevonden; beiden onder de schrammen en beten, hun gezichten onherkenbaar verminkt. Ze werden diezelfde dag nog begraven, opdat niemand het vreselijke lot zou kennen dat hen getroffen had.

Ondertussen kwam in de nabij gelegen stad een jongeman rustig aanwandelen. Hij zag er uit zoals iedere andere jonge man, maar toch was er iets dat er niet klopte. Misschien was het de gemene twinkeling in zijn groene ogen, of de valse grijns op zijn lippen. Wat het ook was, dat is het enige waaraan men Loki kan herkennen; het gevoel dat er aan hem iets niet klopt.

De bard die mij dit vertelde is na deze nacht plotseling verdwenen en niemand heeft ooit nog van hem gehoord. De goden weten wanneer er over hen gesproken wordt. In de straten wordt gefluisterd over een vreselijke moord; een man wiens gezicht volledig is verdwenen. Er bestaat geen twijfel dat Loki wraak heeft genomen op mijn vriend, enkel en alleen voor het onthullen van Loki’s ware gezicht…

Carlijn Gerrits (19 jaar)

 

Volg ons op FaceBook

Nieuwsbrief





 
Wintertuin op FacebookWintertuin op TwitterWintertuin op YouTubeWintertuin op flickrWintertuin op Google Maps

Winkelwagen

Uw winkelmandje is leeg, ga naar de shop »