‘Welkom thuis’
Onderstaand verhaal, ‘Welkom thuis’ van Arnon Grunberg, is een bekorte versie van de lezing die de schrijver woensdag 11 mei 2011 gaf aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, georganiseerd door Literair Productiehuis Wintertuin en Soeterbeeck Programma.
Simon Maes is een man van vijfenvijftig die al zijn haren nog heeft en bij voorkeur rondloopt in corduroy jasjes. Ondanks zijn leeftijd heeft hij iets jongensachtigs; iets in hem heeft niet willen opgroeien, alleen zijn melancholie is volgroeid. Maes weet niet zeker wat er eerst was: het besef dat hij de belofte die hij ooit was nooit zou waarmaken of de melancholie. Zelf houdt hij het erop dat de milde weemoed eerst kwam, alsof hij zelf stiekem altijd al had geweten dat hij de top niet zou halen, dat hij veroordeeld was tot het geven van lezingen uit eigen werk in bibliotheken. Hij was er zelfs aan gewend geraakt als de bibliothecaris bijvoorbeeld tegen hem zei: ‘We hadden eigenlijk een grotere naam gewild, maar die konden we niet betalen. Geldwolven zijn het, die beroemde schrijvers.’
Dan glimlachte Simon Maes welwillend. Hij mocht weliswaar geen beroemd schrijver zijn, hij was in ieder geval ook geen geldwolf. Als je een beetje je best deed kon je in bijna alles wat de mensen tegen je zeiden wel een compliment zien.
En de schrijflessen, het centrum van zijn bestaan, een keer per week op woensdagavond in een bibliotheek in Arnhem. De kerken bleven leeg, de psychotherapie werd niet meer door de ziektekostenverzekeraar vergoed, maar de menselijke behoefte om te biechten was nog altijd aanwezig. De mens moest bekennen, hij kon het niet laten, hij wilde boekhouder van zijn eigen zonden zijn. Of dat echte of vermeende zonden waren deed er nauwelijks toe. Waar de mens werkelijk bang voor was, zo had Maes begrepen tijdens zijn schrijflessen, was niet zozeer dat hij zelf onopgemerkt zou blijven, als wel dat zijn zondes onopgemerkt zouden blijven, alsof de zonde de kern was van zijn identiteit. En alsof hij uiteindelijk nergens anders naar snakte dan naar vergeving.
Ooit had Maes gelezen dat iemand had gezegd, hij wist helaas niet meer wie: ‘Het maakt me niet uit van welk ras of van welke nationaliteit u bent, maar als u lijdt sta ik aan uw kant.’
Zo kon hij zeggen: ‘Het maakt me niet waar u vandaan komt, maar als u geen talent hebt en toch wilt schrijven, sta ik aan uw kant.’
Volgens zijn partner, met wie hij al bijna twintig jaar samen was, liep hij tijdens die schrijflessen rond als een god, nou ja een godje van de Arnhemse bibliotheek. Dat vond hij overdreven, te sarcastisch ook. Hij was hooguit een hogepriester in een provinciestad die zich, zoals alle hogepriesters vermoedelijk, om het ritueel bekommerde. De stijl stond voorop. Wat kon je over de inhoud zeggen tijdens dergelijke schrijflessen? Huiselijk geweld, overspel, kleptomanie, lichte vormen van pedofilie, ziekelijke jaloezie, drankzucht, kindermishandeling, seksverslaving, en dode huisdieren, veel dode huisdieren.
Simon Maes richtte zich op overbodige bijvoeglijke naamwoorden.
‘Waarom vier bijvoeglijke naamwoorden?’ vroeg hij geregeld, ‘als je ook met één zo’n mooi effect kan bereiken.’
Vervolgens liet hij de naam Elsschot vallen, want naar grote schrijvers verwijzen hoorde nu eenmaal bij schrijflessen, vond hij. En dan ze keken hem aan, de cursisten die zich rond de grote leestafel hadden verzameld, alsof hij een sjamaan was. Alsof hij de raadselen van het zijn onthulde door enkele bijvoeglijke naamwoorden te schrappen.
Hij zit in de auto van een jonge officier die nog maar een paar weken aan zijn cursus deelneemt.
Simon was blij met de officier. Eindelijk ging het over iets anders dan dode huisdieren. Eindelijk gerechtigheid. Hij had lang moeten wachten, maar nu wist hij zeker dat de wereldgeschiedenis de bibliotheek van Arnhem niet oversloeg.
De officier inspireerde hem. Maes had zich er eigenlijk bij neergelegd dat zijn toch al spaarzame talent aan het uitdoven was, maar de ontmoeting met deze officier gaf de doodstrijd van zijn talent een nieuwe wending. Het leefde op. Iets bezielde hem. Onrust maakte zich van hem meester. Hij nam geen genoegen meer met de overtuiging dat leven weinig anders was dan onder zo gunstig mogelijke omstandigheden wachten op de dood.
Van de meeste cursisten wist hij te veel. Hij kon hun schrijfsels amper meer lezen, hun biecht kon hij praktisch niet meer aanhoren.
Van deze officier wist hij weinig.
Daarom had Simon Maes ‘ja’ gezegd toen de officier hem had gevraagd of hij eens bij hem wilde komen eten.
Als hogepriester van de talentloze amateur-schrijver moest je niet met je cursisten de kroeg induiken, laat staan dat je bij hen moest gaan eten. Na afloop van het ritueel moest je je waardig verwijderen, anders verloor je je autoriteit, maar dit was anders. Hier viel iets voor Simon Maes te halen.
‘Hoeveel boeken heb je eigenlijk geschreven?’ vraagt de officier.
Hij rijdt snel en naar de smaak van Simon Maes iets te gevaarlijk.
Maes noemt enkele titels.
Een van die boeken, zijn meest succesvolle, zijn tweede roman, heeft hij gesigneerd meegenomen als cadeautje voor de gastheer en gastvrouw.
‘Dat verhaal,’ zegt de officier ‘over mijn vrouw en die longarts, dat ik ze allebei doodsteek. Dat vond je goed?’
‘Erg goed,’ zegt Simon.
Daar is geen woord van gelogen. Het beste verhaal dat hij in tijden van zijn cursisten te lezen heeft gekregen. Eindelijk een verhaal met een pointe, met interessante personages, spanning, haastig geschreven weliswaar, maar daarvoor zijn er de schrijflessen van Simon Maes.
‘Dat moet je verder uitwerken,’ zegt hij. ‘Misschien zit er een novelle in.’
‘Wat is precies een novelle eigenlijk?’ vraagt de officier.
‘Een kleine roman. Een lang verhaal.’
Ze rijden nog altijd erg hard.
‘Het is geen verhaal,’ zegt de officier. ‘Het is een plan, het is mijn missie.’
‘Wat?’
Ze naderen Wageningen.
‘Dat verhaal. Dat is geen verhaal. Maar daarom heb ik jou ook uitgenodigd. Jij bent toch schrijver, jij hebt kijk op de mensen, jullie schrijvers doen toch niet anders dan de mensen bestuderen? Dat heb je zelf gezegd.’
Simon Maes voelt oude weemoed opkomen. Al decennia heeft hij de mensen niet meer bestudeerd. Wat hij van zijn cursisten waarneemt, is hun gebrek aan talent. Als hij in de provincie een lezing geeft, ziet hij slechts twee soorten individuen: zij die straks zijn boek zullen kopen en zij die dat niet zullen doen.
‘Bestuderen is een groot woord,’ zegt Simon.
‘Jij bent een schrijver. Jij kent de mensen.’
De officier duldt geen tegenspraak.
‘Maar wat bedoel je precies?’ vraagt Simon.
‘Jij moet vanavond goed naar mijn vrouw kijken en zeggen of het waar is.’
‘Of wat waar is?’
‘Of zij het type is dat zich dag in dag uit laat neuken door een longarts. Ik heb bijna alle bewijzen rond. Maar je wilt toch een second opinion. Je wilt zekerheid. Je wilt van een buitenstaander horen dat je niet helemaal gek bent. Daarom heb ik jou uitgenodigd. ’
Simon kijkt naar de man naast hem. Dat was wat hem opviel toen de officier op een woensdagavond het zaaltje binnenkwam, een vorm van waanzin waarin hij genialiteit meende te herkennen. Misschien wel precies wat hij zelf miste. Lef, het vermogen je te verliezen in een idee, hoe dwaas ook. Totale overgave.
‘Je bedoelt of zij het type is dat zich specifiek door een longarts laat neuken of meer in het algemeen?’
‘Specifiek door een longarts én meer in het algemeen.’
De ernst van de officier geeft hem even een ongemakkelijk gevoel. Om over iets neutralers te beginnen, vraagt hij: ‘Mark, waarom heb je eigenlijk altijd je uniform aan?’
‘Om klaar te zijn,’ luidt het antwoord. ‘Ik wil gereed zijn.’
Behendig parkeert de officier zijn auto.
‘Daar woon ik,’ zegt hij.
Hij wijst op een onopvallend maar zo te zien gerieflijk huis.
Aan de voordeur hangt een kindertekening.
Ze gaan naar binnen.
Simon Maes maakt kennis met de vrouw van de officier. Zij lijkt op het huis: onopvallend maar gerieflijk. Mooi in haar onopvallendheid. Zij benadrukt de alledaagsheid van de schoonheid, de lichte vulgariteit die per definitie aan mooie vrouwen kleeft.
Simon overhandigt zijn boek en zegt: ‘In plaats van bloemen.’
Hij voert een vriendelijk gesprekje met het oudste kind, geroutineerd alsof hij een lezing geeft, en dan mogen ze aan tafel. Tijdens het voorgerecht, tomatensoep, zegt hij tegen de vrouw van de officier dat ze elkaar maar moeten tutoyeren. Hij heet Simon.
‘Ik ben Bianca,’ zegt ze.
Verder is Bianca vooral stil.
Bij het hoofdgerecht, paella met garnalen voor de volwassenen, paella zonder garnalen voor de kinderen, vertelt de vrouw van de officier weliswaar iets over haar werk in het ziekenhuis.
Simon luistert geïnteresseerd. Maar daarna zet de stilte weer in.
Vrijwel meteen na het dessert worden de kinderen naar boven gebracht. Simon en de officier blijven alleen aan tafel achter.
‘En?’ vraagt de officier zachtjes, ‘wat denk je?’
‘Wat ik denk?’
‘Is zij het type dat zich dagelijks laat neuken door een longarts?’
Simon haalt zijn schouders op. ‘Dagelijks? Ik weet niet,’ fluistert hij, ‘moet nog een beetje onderzoek verrichten.’
De officier staat op en haalt een fles whisky uit de kast.
‘Sinds kort,’ zegt hij, ‘drinken we whisky in dit huis.’
Bianca is snel weer terug. Ze heeft een laptop bij zich.
‘Dus jij geeft mijn man schrijflessen?’ vraagt ze aan Simon.
Het is voor het eerst dat ze daarover begint. Even had hij zelfs gedacht dat ze helemaal niet wist wat hij deed. Dat ze niet eens wist dat hij de schrijver was van het boek dat hij haar bij binnenkomst had gegeven.
‘Ja, een keer per week geef ik schrijflessen,’ zegt hij. ‘Ook aan Mark.’
‘Is hij goed?’ vraagt ze. ‘Mijn man. Kan hij het?’
Ze gaat aan tafel zitten.
Hij zoekt naar woorden. Wat moet hij zeggen? ‘Jouw man,’ verklaart hij voorzichtig, ‘heeft iets wat de literatuur zo nodig heeft, een radeloosheid die niet passief is maar steigert als een wild geworden paard.’
Simon is tevreden. Daar heeft hij zich mooi uit gered.
De vrouw van de officier klapt de laptop open.
‘Ik heb gelezen wat hij over mij heeft geschreven,’ zegt ze. Ze kijkt haar man aan. ‘Ik heb gelezen wat jij over mij hebt geschreven.’
Ze begint voor te lezen. ‘Afghanistan was droog, maar als ik op mijn vrouw lig, die zeldzame keren dat ze mij met tegenzin op zich laat liggen dan voel ik dat haar vagina nog droger is dan Afghanistan. En als ik bij haar naar binnenga, omdat een man bij zijn vrouw naar binnen moet gaan, dan lijkt het alsof ik weer terug ben in Afghanistan, alsof Afghanistan zich in haar schede bevindt. En als ik mijn tong bij haar naar binnen stop, omdat een man af en toe zijn tong in zijn vrouw moet stoppen, dan proef ik en ruik ik Afghanistan en dan weet ik zeker dat ik diep in de schede van mijn vrouw de lijken zal vinden van de Afghanen die ik heb moeten doden en de lijken van mijn vrienden die door de Afghanen zijn gedood. Je hoeft het vliegtuig niet te nemen als je naar Afghanistan wilt, je hoeft mijn vrouw alleen maar aan te raken en je bent er.’
Ze klapt de laptop dicht. ‘Denk je zo over mij?’ roept ze.
Ze kijkt Simon aan. ‘Is dit wat jullie literatuur noemen?’ schreeuwt ze.
Simon zwijgt.
‘Nou ik vind het geen literatuur, ik vind het goedkoop en smerig.’
Er lopen tranen over haar gezicht.
‘Ik vond het walgelijk en beledigend en mensonterend.’
Nooit heeft Simon het oordeel moeten vellen over wat literatuur was en wat niet. Hij bekommerde zich om de talentlozen. Er was geen oordeel, er was alleen het wekelijkse ritueel om het gebrek aan talent op te vangen.
De officier kijkt strak voor zich uit.
‘Bianca,’ zegt Simon. ‘Je moet de literatuur niet letterlijk nemen. Dit zijn metaforen. Dit zijn technieken.’ Terwijl hij praat legt hij zijn hand kalmerend op haar arm. ‘De literatuur bestaat bij de gratie van de hyperbool. Wat het werk van jouw man zo interessant maakt, ik geef toe dat de diamant nog verder geslepen moet worden, is dat hij zijn pijn weet te articuleren, dat hij zijn woede in betrekkelijk beheerste zinnen weet te gieten.’
Hij knijpt in haar arm. Hij praat zoals hij zijn schrijflessen geeft. Zalvend.
De officier zegt niets, hij zit erbij alsof het niet over hem gaat, alsof hij hier niets mee te maken heeft. En terwijl Simon Maes rustig verder praat met de ironische overgave die hoort bij iemand die cursusleider van de hopelozen is geworden, beseft hij dat het allemaal niet waar is. De woede die zich net weet te beheersen, de pijn die zich verstaanbaar weet te maken, van dat soort paradoxen hangen zijn schrijflessen aan elkaar, van die paradoxen hangt misschien wel de literatuur zelf aan elkaar. De pijn die wordt opgeroepen, de wanhoop die wordt uitgebeeld, de schrijver die voor noodlot speelt. Maar de ware pijn kan zich niet verstaanbaar maken, die pijn is woordeloos en ondoordringbaar. Uiteindelijk was de literatuur zelf weinig meer dan een van ironie doortrokken eredienst voor wanhoop en lijden. Een christendom zonder Jezus maar met een kruis. De biecht omwille van de biecht. De zonde omwille van de schoonheid. En de verlossing elke woensdagavond om acht uur ’s avonds in de bibliotheek van Arnhem.
Hij knijpt een beetje harder in de arm van de vrouw van de officier.
‘Het is een spel,’ zegt hij, ‘je moet het niet letterlijk nemen. Jij bent niet die vrouw.’
‘Ik ben niet die vrouw,’ roept ze, ‘en dit is zeker niet mijn vagina.’ Ze staat op. Ze wijst op haar schoot. ‘Dit is zeker niet de vagina die mijn man met Afghanistan vergelijkt. Zijn twee kinderen zijn hieruit gekomen, maar hij kan zomaar beweren dat diep in mijn baarmoeder de lijken liggen te rotten van de Afghanen die hij heeft vermoord. Dat moet ik allemaal niet letterlijk nemen? Is het een spel? Nou, dan begrijp ik het spel niet. En ik wil het ook niet begrijpen.’
De officier staat op.
Hij loopt naar zijn vrouw toe.
‘Jij hebt niet het recht mijn verhalen te lezen,’ zegt hij. ‘Als ik jou iets wil laten lezen, dan zeg ik dat wel.’
Hij pakt de laptop, tilt hem hoog op en gooit hem met kracht maar weloverwogen op de grond.
Zijn efficiëntie is bewonderenswaardig, de laptop is verwoest.
‘Ik ben nog altijd de moeder van je kinderen,’ schreeuwt de vrouw van de officier, ‘ik ben nog altijd jouw vrouw.’
‘Jij bent mijn vrouw niet,’ zegt de officier, ‘jij bent de vrouw van iemand anders.’
Hij verlaat de kamer.
Simon hoort hem de trap oprennen. Hij weet niet goed wat hij moet doen. Dit soort situaties is hij niet gewend. Hij begint de arm van Bianca te strelen terwijl hij mompelt: ‘Het zijn allemaal ironische paradoxen, metaforen die iets anders onthullen dan ze lijken te onthullen, niet is wat het lijkt te zijn.’
Maar als hij hoort dat de officier de trap weer afkomt laat hij de arm snel los.
De officier heeft een plunjezak bij zich.
‘Ik ga,’ zegt hij.
Simon heeft nu weinig keus. Hij wendt zich tot de gastvrouw: ‘Dan ga ik er ook maar weer eens vandoor. Het heeft heerlijk gesmaakt.’
Hij loopt achter de officier aan het huis uit. Een zeker respect voor zijn manier van doen kan Simon niet onderdrukken. De officier handelt, waar Simon Maes slechts ironische onderdanigheid en de daarmee gepaard gaande aarzeling kent.
Terwijl de officier bezig is zijn auto te openen komt zijn vrouw hem achterna gerend.
Even denkt Simon dat ze zich in zijn armen wil storten. Maar ze stopt midden op straat en ze schreeuwt: ‘Mijn kut is niet Afghanistan.’
Haar woorden doen Simon Maes ineenkrimpen. In de literatuur is veel geoorloofd, maar als je zomaar iets over straat roept, weten mensen niet dat het literatuur is en kan het voor akelige misverstanden zorgen.
Ze loopt terug en gooit de voordeur dicht.
Simon gaat naast de officier in de auto zitten. Ze rijden Wageningen uit zoals ze een paar uur daarvoor de stad waren ingereden. Een tikkeltje roekeloos.
‘Wat zijn je plannen?’ vraagt Simon.
‘Weet niet,’ zegt de officier, ‘kan ik een nachtje of twee bij jou pitten?’
Simon Maes denkt aan zijn partner. Aan zijn woning. Aan de planten. De kat. Nee, bij hem kan de officier niet blijven.
‘We wonen klein,’ zegt Simon.
Misschien kan hij de officier wat geld geven voor een goedkoop pension, als geld het probleem is, maar zelf heeft hij het momenteel ook niet zo breed. Ze sparen voor een huisje in Frankrijk.
Zijn moeder. Hij kan hem onderbrengen bij zijn moeder.
‘Mijn moeder heeft een groot huis in Zevenaar,’ zegt Simon.
Een geweldig idee. Zijn officier, zijn muze, de man die zijn doodgewaande talent kwam wakker kussen zal een paar daagjes bij zijn moeder tot zichzelf komen. Zo kan Simon het vuur dat hij zelf zo mist, waarvan in zijn leven niet meer over was dan smeulende as, bij zich houden.
‘De meeste kamers staan leeg,’ zegt hij. ‘Je zult je er goed voelen.’
De officier knikt.
Ze rijden naar Zevenaar.
‘Mijn moeder is een beetje een eigenaardige vrouw,’ zegt Simon voor hij de deur opent. Maar hij denkt: een eigenaardige vrouw, een eigenaardige officier. Dat gaat prima samen.
Simons moeder zit voor de tv.
‘Mam,’ zegt hij, ‘sorry dat ik zo laat bij je kom binnen vallen. Ik kom een officier van het Nederlandse leger een paar dagen bij je inkwartieren. Hij is heel netjes en een goede vriend van me.’
Zijn moeder draait zich om. ‘Is het alweer oorlog?’ vraagt ze.
Simon Maes laat de officier zijn eigen jongenskamer zien.
‘Hier kun je slapen,’ zegt hij. ‘Ik bel je morgen wel op.’
‘En hoe kom jij naar huis?’ vraagt de officier.
‘Ik bel wel een taxi,’ zegt Simon.
‘Neem mijn auto. Die heb ik voorlopig niet nodig. Ik meld me toch ziek.’
Simon neemt de autosleutels in ontvangst. ‘Ik kom hem morgen terugbrengen,’ zegt hij.
De officier is op het jongensbed van Simon gaat zitten. Hij strijkt met zijn handen over zijn benen. ‘Ze is van binnen net zo verrot als Afghanistan,’ zegt hij, ‘misschien nog wel verrotter.’
Vlak voor Simon Arnhem binnenrijdt, wordt hij gegrepen door een verlangen dat hem al decennia vreemd is, hij voelt zich overmoedig, zoals hij zich voelde toen hij zijn eerste boek schreef. Maar deze overmoed is niet meer als zodanig herkenbaar.
Een macht, sterker dan hijzelf, wijst hem een andere kant op.
Hij begint te vermoeden dat het verschil tussen middelmatige en grote literatuur misschien niets dan een zekere roekeloosheid is, een roekeloosheid waar de goden mee instemmen omdat ze het schouwspel zo mooi vinden.
Simon rijdt richting Wageningen. Hij moet zich ervan vergewissen dat het goed gaat met de vrouw van de officier.
Dan glimlachte Simon Maes welwillend. Hij mocht weliswaar geen beroemd schrijver zijn, hij was in ieder geval ook geen geldwolf. Als je een beetje je best deed kon je in bijna alles wat de mensen tegen je zeiden wel een compliment zien.
En de schrijflessen, het centrum van zijn bestaan, een keer per week op woensdagavond in een bibliotheek in Arnhem. De kerken bleven leeg, de psychotherapie werd niet meer door de ziektekostenverzekeraar vergoed, maar de menselijke behoefte om te biechten was nog altijd aanwezig. De mens moest bekennen, hij kon het niet laten, hij wilde boekhouder van zijn eigen zonden zijn. Of dat echte of vermeende zonden waren deed er nauwelijks toe. Waar de mens werkelijk bang voor was, zo had Maes begrepen tijdens zijn schrijflessen, was niet zozeer dat hij zelf onopgemerkt zou blijven, als wel dat zijn zondes onopgemerkt zouden blijven, alsof de zonde de kern was van zijn identiteit. En alsof hij uiteindelijk nergens anders naar snakte dan naar vergeving.
Ooit had Maes gelezen dat iemand had gezegd, hij wist helaas niet meer wie: ‘Het maakt me niet uit van welk ras of van welke nationaliteit u bent, maar als u lijdt sta ik aan uw kant.’
Zo kon hij zeggen: ‘Het maakt me niet waar u vandaan komt, maar als u geen talent hebt en toch wilt schrijven, sta ik aan uw kant.’
Volgens zijn partner, met wie hij al bijna twintig jaar samen was, liep hij tijdens die schrijflessen rond als een god, nou ja een godje van de Arnhemse bibliotheek. Dat vond hij overdreven, te sarcastisch ook. Hij was hooguit een hogepriester in een provinciestad die zich, zoals alle hogepriesters vermoedelijk, om het ritueel bekommerde. De stijl stond voorop. Wat kon je over de inhoud zeggen tijdens dergelijke schrijflessen? Huiselijk geweld, overspel, kleptomanie, lichte vormen van pedofilie, ziekelijke jaloezie, drankzucht, kindermishandeling, seksverslaving, en dode huisdieren, veel dode huisdieren.
Simon Maes richtte zich op overbodige bijvoeglijke naamwoorden.
‘Waarom vier bijvoeglijke naamwoorden?’ vroeg hij geregeld, ‘als je ook met één zo’n mooi effect kan bereiken.’
Vervolgens liet hij de naam Elsschot vallen, want naar grote schrijvers verwijzen hoorde nu eenmaal bij schrijflessen, vond hij. En dan ze keken hem aan, de cursisten die zich rond de grote leestafel hadden verzameld, alsof hij een sjamaan was. Alsof hij de raadselen van het zijn onthulde door enkele bijvoeglijke naamwoorden te schrappen.
Hij zit in de auto van een jonge officier die nog maar een paar weken aan zijn cursus deelneemt.
Simon was blij met de officier. Eindelijk ging het over iets anders dan dode huisdieren. Eindelijk gerechtigheid. Hij had lang moeten wachten, maar nu wist hij zeker dat de wereldgeschiedenis de bibliotheek van Arnhem niet oversloeg.
De officier inspireerde hem. Maes had zich er eigenlijk bij neergelegd dat zijn toch al spaarzame talent aan het uitdoven was, maar de ontmoeting met deze officier gaf de doodstrijd van zijn talent een nieuwe wending. Het leefde op. Iets bezielde hem. Onrust maakte zich van hem meester. Hij nam geen genoegen meer met de overtuiging dat leven weinig anders was dan onder zo gunstig mogelijke omstandigheden wachten op de dood.
Van de meeste cursisten wist hij te veel. Hij kon hun schrijfsels amper meer lezen, hun biecht kon hij praktisch niet meer aanhoren.
Van deze officier wist hij weinig.
Daarom had Simon Maes ‘ja’ gezegd toen de officier hem had gevraagd of hij eens bij hem wilde komen eten.
Als hogepriester van de talentloze amateur-schrijver moest je niet met je cursisten de kroeg induiken, laat staan dat je bij hen moest gaan eten. Na afloop van het ritueel moest je je waardig verwijderen, anders verloor je je autoriteit, maar dit was anders. Hier viel iets voor Simon Maes te halen.
‘Hoeveel boeken heb je eigenlijk geschreven?’ vraagt de officier.
Hij rijdt snel en naar de smaak van Simon Maes iets te gevaarlijk.
Maes noemt enkele titels.
Een van die boeken, zijn meest succesvolle, zijn tweede roman, heeft hij gesigneerd meegenomen als cadeautje voor de gastheer en gastvrouw.
‘Dat verhaal,’ zegt de officier ‘over mijn vrouw en die longarts, dat ik ze allebei doodsteek. Dat vond je goed?’
‘Erg goed,’ zegt Simon.
Daar is geen woord van gelogen. Het beste verhaal dat hij in tijden van zijn cursisten te lezen heeft gekregen. Eindelijk een verhaal met een pointe, met interessante personages, spanning, haastig geschreven weliswaar, maar daarvoor zijn er de schrijflessen van Simon Maes.
‘Dat moet je verder uitwerken,’ zegt hij. ‘Misschien zit er een novelle in.’
‘Wat is precies een novelle eigenlijk?’ vraagt de officier.
‘Een kleine roman. Een lang verhaal.’
Ze rijden nog altijd erg hard.
‘Het is geen verhaal,’ zegt de officier. ‘Het is een plan, het is mijn missie.’
‘Wat?’
Ze naderen Wageningen.
‘Dat verhaal. Dat is geen verhaal. Maar daarom heb ik jou ook uitgenodigd. Jij bent toch schrijver, jij hebt kijk op de mensen, jullie schrijvers doen toch niet anders dan de mensen bestuderen? Dat heb je zelf gezegd.’
Simon Maes voelt oude weemoed opkomen. Al decennia heeft hij de mensen niet meer bestudeerd. Wat hij van zijn cursisten waarneemt, is hun gebrek aan talent. Als hij in de provincie een lezing geeft, ziet hij slechts twee soorten individuen: zij die straks zijn boek zullen kopen en zij die dat niet zullen doen.
‘Bestuderen is een groot woord,’ zegt Simon.
‘Jij bent een schrijver. Jij kent de mensen.’
De officier duldt geen tegenspraak.
‘Maar wat bedoel je precies?’ vraagt Simon.
‘Jij moet vanavond goed naar mijn vrouw kijken en zeggen of het waar is.’
‘Of wat waar is?’
‘Of zij het type is dat zich dag in dag uit laat neuken door een longarts. Ik heb bijna alle bewijzen rond. Maar je wilt toch een second opinion. Je wilt zekerheid. Je wilt van een buitenstaander horen dat je niet helemaal gek bent. Daarom heb ik jou uitgenodigd. ’
Simon kijkt naar de man naast hem. Dat was wat hem opviel toen de officier op een woensdagavond het zaaltje binnenkwam, een vorm van waanzin waarin hij genialiteit meende te herkennen. Misschien wel precies wat hij zelf miste. Lef, het vermogen je te verliezen in een idee, hoe dwaas ook. Totale overgave.
‘Je bedoelt of zij het type is dat zich specifiek door een longarts laat neuken of meer in het algemeen?’
‘Specifiek door een longarts én meer in het algemeen.’
De ernst van de officier geeft hem even een ongemakkelijk gevoel. Om over iets neutralers te beginnen, vraagt hij: ‘Mark, waarom heb je eigenlijk altijd je uniform aan?’
‘Om klaar te zijn,’ luidt het antwoord. ‘Ik wil gereed zijn.’
Behendig parkeert de officier zijn auto.
‘Daar woon ik,’ zegt hij.
Hij wijst op een onopvallend maar zo te zien gerieflijk huis.
Aan de voordeur hangt een kindertekening.
Ze gaan naar binnen.
Simon Maes maakt kennis met de vrouw van de officier. Zij lijkt op het huis: onopvallend maar gerieflijk. Mooi in haar onopvallendheid. Zij benadrukt de alledaagsheid van de schoonheid, de lichte vulgariteit die per definitie aan mooie vrouwen kleeft.
Simon overhandigt zijn boek en zegt: ‘In plaats van bloemen.’
Hij voert een vriendelijk gesprekje met het oudste kind, geroutineerd alsof hij een lezing geeft, en dan mogen ze aan tafel. Tijdens het voorgerecht, tomatensoep, zegt hij tegen de vrouw van de officier dat ze elkaar maar moeten tutoyeren. Hij heet Simon.
‘Ik ben Bianca,’ zegt ze.
Verder is Bianca vooral stil.
Bij het hoofdgerecht, paella met garnalen voor de volwassenen, paella zonder garnalen voor de kinderen, vertelt de vrouw van de officier weliswaar iets over haar werk in het ziekenhuis.
Simon luistert geïnteresseerd. Maar daarna zet de stilte weer in.
Vrijwel meteen na het dessert worden de kinderen naar boven gebracht. Simon en de officier blijven alleen aan tafel achter.
‘En?’ vraagt de officier zachtjes, ‘wat denk je?’
‘Wat ik denk?’
‘Is zij het type dat zich dagelijks laat neuken door een longarts?’
Simon haalt zijn schouders op. ‘Dagelijks? Ik weet niet,’ fluistert hij, ‘moet nog een beetje onderzoek verrichten.’
De officier staat op en haalt een fles whisky uit de kast.
‘Sinds kort,’ zegt hij, ‘drinken we whisky in dit huis.’
Bianca is snel weer terug. Ze heeft een laptop bij zich.
‘Dus jij geeft mijn man schrijflessen?’ vraagt ze aan Simon.
Het is voor het eerst dat ze daarover begint. Even had hij zelfs gedacht dat ze helemaal niet wist wat hij deed. Dat ze niet eens wist dat hij de schrijver was van het boek dat hij haar bij binnenkomst had gegeven.
‘Ja, een keer per week geef ik schrijflessen,’ zegt hij. ‘Ook aan Mark.’
‘Is hij goed?’ vraagt ze. ‘Mijn man. Kan hij het?’
Ze gaat aan tafel zitten.
Hij zoekt naar woorden. Wat moet hij zeggen? ‘Jouw man,’ verklaart hij voorzichtig, ‘heeft iets wat de literatuur zo nodig heeft, een radeloosheid die niet passief is maar steigert als een wild geworden paard.’
Simon is tevreden. Daar heeft hij zich mooi uit gered.
De vrouw van de officier klapt de laptop open.
‘Ik heb gelezen wat hij over mij heeft geschreven,’ zegt ze. Ze kijkt haar man aan. ‘Ik heb gelezen wat jij over mij hebt geschreven.’
Ze begint voor te lezen. ‘Afghanistan was droog, maar als ik op mijn vrouw lig, die zeldzame keren dat ze mij met tegenzin op zich laat liggen dan voel ik dat haar vagina nog droger is dan Afghanistan. En als ik bij haar naar binnenga, omdat een man bij zijn vrouw naar binnen moet gaan, dan lijkt het alsof ik weer terug ben in Afghanistan, alsof Afghanistan zich in haar schede bevindt. En als ik mijn tong bij haar naar binnen stop, omdat een man af en toe zijn tong in zijn vrouw moet stoppen, dan proef ik en ruik ik Afghanistan en dan weet ik zeker dat ik diep in de schede van mijn vrouw de lijken zal vinden van de Afghanen die ik heb moeten doden en de lijken van mijn vrienden die door de Afghanen zijn gedood. Je hoeft het vliegtuig niet te nemen als je naar Afghanistan wilt, je hoeft mijn vrouw alleen maar aan te raken en je bent er.’
Ze klapt de laptop dicht. ‘Denk je zo over mij?’ roept ze.
Ze kijkt Simon aan. ‘Is dit wat jullie literatuur noemen?’ schreeuwt ze.
Simon zwijgt.
‘Nou ik vind het geen literatuur, ik vind het goedkoop en smerig.’
Er lopen tranen over haar gezicht.
‘Ik vond het walgelijk en beledigend en mensonterend.’
Nooit heeft Simon het oordeel moeten vellen over wat literatuur was en wat niet. Hij bekommerde zich om de talentlozen. Er was geen oordeel, er was alleen het wekelijkse ritueel om het gebrek aan talent op te vangen.
De officier kijkt strak voor zich uit.
‘Bianca,’ zegt Simon. ‘Je moet de literatuur niet letterlijk nemen. Dit zijn metaforen. Dit zijn technieken.’ Terwijl hij praat legt hij zijn hand kalmerend op haar arm. ‘De literatuur bestaat bij de gratie van de hyperbool. Wat het werk van jouw man zo interessant maakt, ik geef toe dat de diamant nog verder geslepen moet worden, is dat hij zijn pijn weet te articuleren, dat hij zijn woede in betrekkelijk beheerste zinnen weet te gieten.’
Hij knijpt in haar arm. Hij praat zoals hij zijn schrijflessen geeft. Zalvend.
De officier zegt niets, hij zit erbij alsof het niet over hem gaat, alsof hij hier niets mee te maken heeft. En terwijl Simon Maes rustig verder praat met de ironische overgave die hoort bij iemand die cursusleider van de hopelozen is geworden, beseft hij dat het allemaal niet waar is. De woede die zich net weet te beheersen, de pijn die zich verstaanbaar weet te maken, van dat soort paradoxen hangen zijn schrijflessen aan elkaar, van die paradoxen hangt misschien wel de literatuur zelf aan elkaar. De pijn die wordt opgeroepen, de wanhoop die wordt uitgebeeld, de schrijver die voor noodlot speelt. Maar de ware pijn kan zich niet verstaanbaar maken, die pijn is woordeloos en ondoordringbaar. Uiteindelijk was de literatuur zelf weinig meer dan een van ironie doortrokken eredienst voor wanhoop en lijden. Een christendom zonder Jezus maar met een kruis. De biecht omwille van de biecht. De zonde omwille van de schoonheid. En de verlossing elke woensdagavond om acht uur ’s avonds in de bibliotheek van Arnhem.
Hij knijpt een beetje harder in de arm van de vrouw van de officier.
‘Het is een spel,’ zegt hij, ‘je moet het niet letterlijk nemen. Jij bent niet die vrouw.’
‘Ik ben niet die vrouw,’ roept ze, ‘en dit is zeker niet mijn vagina.’ Ze staat op. Ze wijst op haar schoot. ‘Dit is zeker niet de vagina die mijn man met Afghanistan vergelijkt. Zijn twee kinderen zijn hieruit gekomen, maar hij kan zomaar beweren dat diep in mijn baarmoeder de lijken liggen te rotten van de Afghanen die hij heeft vermoord. Dat moet ik allemaal niet letterlijk nemen? Is het een spel? Nou, dan begrijp ik het spel niet. En ik wil het ook niet begrijpen.’
De officier staat op.
Hij loopt naar zijn vrouw toe.
‘Jij hebt niet het recht mijn verhalen te lezen,’ zegt hij. ‘Als ik jou iets wil laten lezen, dan zeg ik dat wel.’
Hij pakt de laptop, tilt hem hoog op en gooit hem met kracht maar weloverwogen op de grond.
Zijn efficiëntie is bewonderenswaardig, de laptop is verwoest.
‘Ik ben nog altijd de moeder van je kinderen,’ schreeuwt de vrouw van de officier, ‘ik ben nog altijd jouw vrouw.’
‘Jij bent mijn vrouw niet,’ zegt de officier, ‘jij bent de vrouw van iemand anders.’
Hij verlaat de kamer.
Simon hoort hem de trap oprennen. Hij weet niet goed wat hij moet doen. Dit soort situaties is hij niet gewend. Hij begint de arm van Bianca te strelen terwijl hij mompelt: ‘Het zijn allemaal ironische paradoxen, metaforen die iets anders onthullen dan ze lijken te onthullen, niet is wat het lijkt te zijn.’
Maar als hij hoort dat de officier de trap weer afkomt laat hij de arm snel los.
De officier heeft een plunjezak bij zich.
‘Ik ga,’ zegt hij.
Simon heeft nu weinig keus. Hij wendt zich tot de gastvrouw: ‘Dan ga ik er ook maar weer eens vandoor. Het heeft heerlijk gesmaakt.’
Hij loopt achter de officier aan het huis uit. Een zeker respect voor zijn manier van doen kan Simon niet onderdrukken. De officier handelt, waar Simon Maes slechts ironische onderdanigheid en de daarmee gepaard gaande aarzeling kent.
Terwijl de officier bezig is zijn auto te openen komt zijn vrouw hem achterna gerend.
Even denkt Simon dat ze zich in zijn armen wil storten. Maar ze stopt midden op straat en ze schreeuwt: ‘Mijn kut is niet Afghanistan.’
Haar woorden doen Simon Maes ineenkrimpen. In de literatuur is veel geoorloofd, maar als je zomaar iets over straat roept, weten mensen niet dat het literatuur is en kan het voor akelige misverstanden zorgen.
Ze loopt terug en gooit de voordeur dicht.
Simon gaat naast de officier in de auto zitten. Ze rijden Wageningen uit zoals ze een paar uur daarvoor de stad waren ingereden. Een tikkeltje roekeloos.
‘Wat zijn je plannen?’ vraagt Simon.
‘Weet niet,’ zegt de officier, ‘kan ik een nachtje of twee bij jou pitten?’
Simon Maes denkt aan zijn partner. Aan zijn woning. Aan de planten. De kat. Nee, bij hem kan de officier niet blijven.
‘We wonen klein,’ zegt Simon.
Misschien kan hij de officier wat geld geven voor een goedkoop pension, als geld het probleem is, maar zelf heeft hij het momenteel ook niet zo breed. Ze sparen voor een huisje in Frankrijk.
Zijn moeder. Hij kan hem onderbrengen bij zijn moeder.
‘Mijn moeder heeft een groot huis in Zevenaar,’ zegt Simon.
Een geweldig idee. Zijn officier, zijn muze, de man die zijn doodgewaande talent kwam wakker kussen zal een paar daagjes bij zijn moeder tot zichzelf komen. Zo kan Simon het vuur dat hij zelf zo mist, waarvan in zijn leven niet meer over was dan smeulende as, bij zich houden.
‘De meeste kamers staan leeg,’ zegt hij. ‘Je zult je er goed voelen.’
De officier knikt.
Ze rijden naar Zevenaar.
‘Mijn moeder is een beetje een eigenaardige vrouw,’ zegt Simon voor hij de deur opent. Maar hij denkt: een eigenaardige vrouw, een eigenaardige officier. Dat gaat prima samen.
Simons moeder zit voor de tv.
‘Mam,’ zegt hij, ‘sorry dat ik zo laat bij je kom binnen vallen. Ik kom een officier van het Nederlandse leger een paar dagen bij je inkwartieren. Hij is heel netjes en een goede vriend van me.’
Zijn moeder draait zich om. ‘Is het alweer oorlog?’ vraagt ze.
Simon Maes laat de officier zijn eigen jongenskamer zien.
‘Hier kun je slapen,’ zegt hij. ‘Ik bel je morgen wel op.’
‘En hoe kom jij naar huis?’ vraagt de officier.
‘Ik bel wel een taxi,’ zegt Simon.
‘Neem mijn auto. Die heb ik voorlopig niet nodig. Ik meld me toch ziek.’
Simon neemt de autosleutels in ontvangst. ‘Ik kom hem morgen terugbrengen,’ zegt hij.
De officier is op het jongensbed van Simon gaat zitten. Hij strijkt met zijn handen over zijn benen. ‘Ze is van binnen net zo verrot als Afghanistan,’ zegt hij, ‘misschien nog wel verrotter.’
Vlak voor Simon Arnhem binnenrijdt, wordt hij gegrepen door een verlangen dat hem al decennia vreemd is, hij voelt zich overmoedig, zoals hij zich voelde toen hij zijn eerste boek schreef. Maar deze overmoed is niet meer als zodanig herkenbaar.
Een macht, sterker dan hijzelf, wijst hem een andere kant op.
Hij begint te vermoeden dat het verschil tussen middelmatige en grote literatuur misschien niets dan een zekere roekeloosheid is, een roekeloosheid waar de goden mee instemmen omdat ze het schouwspel zo mooi vinden.
Simon rijdt richting Wageningen. Hij moet zich ervan vergewissen dat het goed gaat met de vrouw van de officier.
De oude vrouw noemt hem soldaat.
Hij vindt dat geen probleem.
Ze zit een groot gedeelte van de dag voor de televisie. Soms staat ze op en dan eet ze een toastje.
Hij heeft tegen haar gezegd: ‘U kunt niet op toast leven.’
Zelf kan hij goed op toastjes leven. Als het moet wekenlang.
Maar ze antwoordde: ‘Ik eet ook af en toe een appel, soldaat.’
Hoe lang hij hier al is, weet hij niet. Het besef van tijd heeft hem verlaten.
Deze ochtend, of misschien was het ook gisterochtend, heeft hij tegen de oude vrouw gezegd: ‘Ik ga u leren sluipen.’
‘Waarom dat, soldaat?’ had ze gevraagd. ‘Ik ben zo oud geworden zonder te sluipen. Is het echt noodzakelijk dat ik nu nog leer sluipen?’
Hij had geknikt. ‘Ze zijn nog daar, maar straks zijn ze hier, en daarom is het belangrijk dat u kunt sluipen.’
Uren sluipen ze nu al door het huis. Van boven naar beneden, van beneden naar boven, van de voorkant naar de achterkant en van de achterkant naar de voorkant.
‘Ik ben een beetje moe,’ zegt ze, ‘kunnen we uitrusten?’
In de keuken gaat ze op een kruk zitten.
‘Het gaat goed,’ zegt hij. ‘U begint het te leren.’
Ze drinken thee, zij zittend, hij staand.
‘Sluip je veel, soldaat?’ vraagt de oude vrouw.
‘Ik ben nu in een periode van mijn leven gekomen dat ik alleen nog maar kan sluipen,’ antwoordt hij.
De oude vrouw staat op. Met moeite maar een zekere behendigheid klimt ze op de kruk.
De officier wil haar ondersteunen.
‘Laat me los, soldaat,’ zegt ze.
Uit een kastje haalt ze een metalen bakje. Ze klimt weer van de kruk en geeft het bakje aan de officier.
‘Een zeepbakje,’ zegt ze. ‘Heeft een vriendin van me zelf gemaakt. Ze is niet teruggekomen.’
Hij bekijkt het van alle kanten. Je kunt goed zien dat het zelfgemaakt is.
‘Een zeepbakje,’ zegt hij. ‘Dat moet u goed bewaren.’
‘Dat doe ik ook. Al jaren.’
Ze klimt weer op de kruk en legt het bakje terug in het kastje.
‘Nu gaan we op de grond liggen,’ zegt hij.
‘Hier?’ vraagt ze.
‘Hier,’ zegt hij. ‘In de keuken.’
‘Is dat niet een beetje koud?’
‘U moet eraan wennen dat u plat op de grond in de keuken moet liggen, misschien wel urenlang.’
‘Als jij het zegt, soldaat.’
Ze gaan naast elkaar op de grond liggen.
Hij heeft geen idee hoelang ze daar liggen. Of hij huilt of slaapt, hij het weet het niet. Wel sluipt hij in gedachten. Hij sluipt door huizen die hij kent en ook door huizen die hij niet kent.
Dan stoot hij haar aan. Het is tijd.
Hij helpt haar bij het opstaan.
Ze eet een droog toastje.
De officier pakt het broodmes van het aanrecht.
‘Mag ik dit lenen?’ vraagt hij.
De oude vrouw kijkt moeilijk. ‘Liever niet,’ zegt ze. ‘Het is mijn enige broodmes.’
‘U eet nooit brood. Ik breng het terug. Ik wil het alleen maar lenen.’
‘Waarvoor heb je het nodig, soldaat?’ vraagt ze terwijl ze zich met twee handen aan het aanrecht vasthoudt.
‘Ik heb een missie,’ antwoordt hij, ‘een geheime missie, ik kan daar niet over praten. Dat begrijpt u ook wel.’
‘Ik begrijp het,’ zegt ze. ‘Maar wanneer breng je het weer terug, soldaat?’
‘Ik blijf niet lang weg. Een paar uur hoogstens.’
Ze knikt. Hij stopt het broodmes van de oude vrouw in zijn plunjezak.
Hij omhelst haar. Zeker een minuut houdt hij haar vast. Hij streelt met zijn vingertoppen over haar gezicht, over haar haren. Ze laat hem begaan. Hij drukt haar hoofd tegen zijn borst. Hij ruikt haar. Ze ruikt in ieder geval niet naar nachtcrème.
‘Nu sluipen we allebei naar de voordeur,’ zegt hij uiteindelijk.
Ze sluipen naar de voordeur.
‘Kunt u zich voorstellen,’ zegt hij, ‘op mijn voordeur hangt een tekening waarop staat: “Welkom thuis, lieve papa.” Kunt u zich dat voorstellen? Die lieve papa, dat ben ik.’
De oude vrouw schudt haar hoofd, maar hij weet niet wat dat precies betekent.
Ze zegt: ‘Vergeet niet mijn mes weer terug te brengen, soldaat.’
Hij vindt dat geen probleem.
Ze zit een groot gedeelte van de dag voor de televisie. Soms staat ze op en dan eet ze een toastje.
Hij heeft tegen haar gezegd: ‘U kunt niet op toast leven.’
Zelf kan hij goed op toastjes leven. Als het moet wekenlang.
Maar ze antwoordde: ‘Ik eet ook af en toe een appel, soldaat.’
Hoe lang hij hier al is, weet hij niet. Het besef van tijd heeft hem verlaten.
Deze ochtend, of misschien was het ook gisterochtend, heeft hij tegen de oude vrouw gezegd: ‘Ik ga u leren sluipen.’
‘Waarom dat, soldaat?’ had ze gevraagd. ‘Ik ben zo oud geworden zonder te sluipen. Is het echt noodzakelijk dat ik nu nog leer sluipen?’
Hij had geknikt. ‘Ze zijn nog daar, maar straks zijn ze hier, en daarom is het belangrijk dat u kunt sluipen.’
Uren sluipen ze nu al door het huis. Van boven naar beneden, van beneden naar boven, van de voorkant naar de achterkant en van de achterkant naar de voorkant.
‘Ik ben een beetje moe,’ zegt ze, ‘kunnen we uitrusten?’
In de keuken gaat ze op een kruk zitten.
‘Het gaat goed,’ zegt hij. ‘U begint het te leren.’
Ze drinken thee, zij zittend, hij staand.
‘Sluip je veel, soldaat?’ vraagt de oude vrouw.
‘Ik ben nu in een periode van mijn leven gekomen dat ik alleen nog maar kan sluipen,’ antwoordt hij.
De oude vrouw staat op. Met moeite maar een zekere behendigheid klimt ze op de kruk.
De officier wil haar ondersteunen.
‘Laat me los, soldaat,’ zegt ze.
Uit een kastje haalt ze een metalen bakje. Ze klimt weer van de kruk en geeft het bakje aan de officier.
‘Een zeepbakje,’ zegt ze. ‘Heeft een vriendin van me zelf gemaakt. Ze is niet teruggekomen.’
Hij bekijkt het van alle kanten. Je kunt goed zien dat het zelfgemaakt is.
‘Een zeepbakje,’ zegt hij. ‘Dat moet u goed bewaren.’
‘Dat doe ik ook. Al jaren.’
Ze klimt weer op de kruk en legt het bakje terug in het kastje.
‘Nu gaan we op de grond liggen,’ zegt hij.
‘Hier?’ vraagt ze.
‘Hier,’ zegt hij. ‘In de keuken.’
‘Is dat niet een beetje koud?’
‘U moet eraan wennen dat u plat op de grond in de keuken moet liggen, misschien wel urenlang.’
‘Als jij het zegt, soldaat.’
Ze gaan naast elkaar op de grond liggen.
Hij heeft geen idee hoelang ze daar liggen. Of hij huilt of slaapt, hij het weet het niet. Wel sluipt hij in gedachten. Hij sluipt door huizen die hij kent en ook door huizen die hij niet kent.
Dan stoot hij haar aan. Het is tijd.
Hij helpt haar bij het opstaan.
Ze eet een droog toastje.
De officier pakt het broodmes van het aanrecht.
‘Mag ik dit lenen?’ vraagt hij.
De oude vrouw kijkt moeilijk. ‘Liever niet,’ zegt ze. ‘Het is mijn enige broodmes.’
‘U eet nooit brood. Ik breng het terug. Ik wil het alleen maar lenen.’
‘Waarvoor heb je het nodig, soldaat?’ vraagt ze terwijl ze zich met twee handen aan het aanrecht vasthoudt.
‘Ik heb een missie,’ antwoordt hij, ‘een geheime missie, ik kan daar niet over praten. Dat begrijpt u ook wel.’
‘Ik begrijp het,’ zegt ze. ‘Maar wanneer breng je het weer terug, soldaat?’
‘Ik blijf niet lang weg. Een paar uur hoogstens.’
Ze knikt. Hij stopt het broodmes van de oude vrouw in zijn plunjezak.
Hij omhelst haar. Zeker een minuut houdt hij haar vast. Hij streelt met zijn vingertoppen over haar gezicht, over haar haren. Ze laat hem begaan. Hij drukt haar hoofd tegen zijn borst. Hij ruikt haar. Ze ruikt in ieder geval niet naar nachtcrème.
‘Nu sluipen we allebei naar de voordeur,’ zegt hij uiteindelijk.
Ze sluipen naar de voordeur.
‘Kunt u zich voorstellen,’ zegt hij, ‘op mijn voordeur hangt een tekening waarop staat: “Welkom thuis, lieve papa.” Kunt u zich dat voorstellen? Die lieve papa, dat ben ik.’
De oude vrouw schudt haar hoofd, maar hij weet niet wat dat precies betekent.
Ze zegt: ‘Vergeet niet mijn mes weer terug te brengen, soldaat.’
‘Zal ik binnenkomen?’ had Simon gevraagd.
‘Je weet hoe dat gaat,’ had ze geantwoord. ‘Het begint met een kopje koffie.’
Ze had hem binnengelaten. Koffie voor hem gezet.
‘De kinderen slapen diep,’ had ze gezegd. ‘Ik heb net nog even gekeken.’
Nu bijt ze in zijn lip. Hard en gretig.
Simon begrijpt eindelijk wat zijn boeken al die jaren gemist hebben: werkelijke pijn, het trauma, literatuur heeft een trauma nodig zoals een auto benzine.
Hij ligt op het bed van het trauma. Eindelijk heeft hij het vast, hij zal het niet meer loslaten. Hij streelt het, hij begeert het, hij woont het uit, hij steekt twee vingers tegelijk in de anus van het trauma. De goden hebben hem uitgekozen om zich mee te vermaken en hij moet op zijn beurt anderen vermaken, dat is de rol van de literator. Een doorgeefluik, een boodschapper, meer hoeft hij niet te zijn.
Even meent hij de voordeur te hebben gehoord, maar de overmoed heeft hem nog niet verlaten. Te lang heeft hij zich tevreden gesteld met onderdanigheid en middelmatigheid.
Simon trekt aan haar haren, hij voelt haar nagels in zijn rug.
‘Wie ben ik voor jou?’ fluistert ze in zijn oor.
‘Mijn trauma,’ wil hij zeggen, ‘jij bent mijn trauma, van mij en van niemand anders.’
Maar hij zegt: ‘Jij bent de vrouw van de officier.’
Hij probeert nog dieper bij haar binnen te dringen. Hoe meer vingers hij in haar anus probeert te stoppen, hoe harder ze op zijn lip bijt.
Literatuur is misschien niet eens meer nodig als je een trauma zo kunt uitwonen, zo kunt bezitten, zo binnenste buiten kunt keren.
Hij draait haar om. Op handen en knieën zit ze voor hem. Hij sluit zijn ogen.
Het lijkt alsof hij niet alleen wraak neemt op zijn nederlagen, maar op het leven zelf.
Simon hoort de deur van de slaapkamer opengaan, maar zonder zijn ogen te openen klemt hij zich vast aan zijn trauma, zijn vingers diep in de anus van het trauma, zijn pik diep in de vagina van het trauma.
Alles wat schrijfonderwijs is, is van hem afgevallen. Zijn talent is zijn roekeloosheid.
Zelfs als hij een hem bekende stem ‘welkom thuis’ hoort zeggen twijfelt hij er niet aan. Hij bemint zijn trauma zoals hij nog nooit een mens heeft bemind, zoals je geen mens kunt beminnen.
Als hij erin geslaagd is vier vingers in de anus van het trauma te stoppen, opent hij eindelijk zijn ogen. Dan ziet hij het broodmes van zijn moeder.
‘Je weet hoe dat gaat,’ had ze geantwoord. ‘Het begint met een kopje koffie.’
Ze had hem binnengelaten. Koffie voor hem gezet.
‘De kinderen slapen diep,’ had ze gezegd. ‘Ik heb net nog even gekeken.’
Nu bijt ze in zijn lip. Hard en gretig.
Simon begrijpt eindelijk wat zijn boeken al die jaren gemist hebben: werkelijke pijn, het trauma, literatuur heeft een trauma nodig zoals een auto benzine.
Hij ligt op het bed van het trauma. Eindelijk heeft hij het vast, hij zal het niet meer loslaten. Hij streelt het, hij begeert het, hij woont het uit, hij steekt twee vingers tegelijk in de anus van het trauma. De goden hebben hem uitgekozen om zich mee te vermaken en hij moet op zijn beurt anderen vermaken, dat is de rol van de literator. Een doorgeefluik, een boodschapper, meer hoeft hij niet te zijn.
Even meent hij de voordeur te hebben gehoord, maar de overmoed heeft hem nog niet verlaten. Te lang heeft hij zich tevreden gesteld met onderdanigheid en middelmatigheid.
Simon trekt aan haar haren, hij voelt haar nagels in zijn rug.
‘Wie ben ik voor jou?’ fluistert ze in zijn oor.
‘Mijn trauma,’ wil hij zeggen, ‘jij bent mijn trauma, van mij en van niemand anders.’
Maar hij zegt: ‘Jij bent de vrouw van de officier.’
Hij probeert nog dieper bij haar binnen te dringen. Hoe meer vingers hij in haar anus probeert te stoppen, hoe harder ze op zijn lip bijt.
Literatuur is misschien niet eens meer nodig als je een trauma zo kunt uitwonen, zo kunt bezitten, zo binnenste buiten kunt keren.
Hij draait haar om. Op handen en knieën zit ze voor hem. Hij sluit zijn ogen.
Het lijkt alsof hij niet alleen wraak neemt op zijn nederlagen, maar op het leven zelf.
Simon hoort de deur van de slaapkamer opengaan, maar zonder zijn ogen te openen klemt hij zich vast aan zijn trauma, zijn vingers diep in de anus van het trauma, zijn pik diep in de vagina van het trauma.
Alles wat schrijfonderwijs is, is van hem afgevallen. Zijn talent is zijn roekeloosheid.
Zelfs als hij een hem bekende stem ‘welkom thuis’ hoort zeggen twijfelt hij er niet aan. Hij bemint zijn trauma zoals hij nog nooit een mens heeft bemind, zoals je geen mens kunt beminnen.
Als hij erin geslaagd is vier vingers in de anus van het trauma te stoppen, opent hij eindelijk zijn ogen. Dan ziet hij het broodmes van zijn moeder.
