Ach, we zien wel – Christiaan Weijts
Ach, we zien wel – Christiaan Weijts
Mijn medeburgers, mannen en vrouwen van dit geweldige land,
Lang voordat u of ik geboren waren, passeerde er een groep jager-verzamelaars in dit moerasgebied, waar alle rivieren van Europa in uitmonden. Ze besloten dat het hier goed toeven was. Ze bouwden stallen voor hun vee, hekken rond hun akkers, huizen voor hun gezinnen.
Ze doorstonden de overheersing van de Romeinse keizers Claudius en Tiberius, doorstonden het juk van de Bourgondiërs, van de Saksen, de Franken, de Friezen. Ze hebben onder de Spanjaarden geleefd, onder de Habsburgers, onder de Fransen. Ja, zelfs onder de Duitsers.
Dit is het verhaal van een volk dat altijd nuchter en pragmatisch te werk is gegaan, de ene bezetter zag vertrekken en de volgende zag komen, en daarbij steeds één eigenschap veerkrachtig overeind hield: nuchterheid.
Die nuchtere, schouderophalende mensen, dames en heren, dat zijn uw en mijn voorouders. Wij, Nederlanders, wij zijn een veerkrachtig, relativerend en nuchter volk. En het is juist die nuchterheid waar ik vanavond een beroep op wil doen, omdat die nuchterheid ons zal leiden op het pad, dat ongetwijfeld steil zal zijn, en zwaar.
Want Nederland, we kunnen onze ogen niet sluiten. Niet voor zoveel werk dat er te doen is, niet voor zoveel kinderen die naar school moeten, zoveel bejaarden die we moeten verplegen, niet voor zoveel werklozen die uit de WW moeten, niet voor zoveel files die elke dag weer onze fossiele brandstoffen de dampkring in stoken, niet voor zoveel staatsschuld, niet voor zoveel culturen die met elkaar moeten mengen in dit kleine landje waarin alle rivieren uitmonden als in een afvoerputje.
Vergis je niet, het pad is zwaar. Maar vergeet niet dat wij in het verleden al onze problemen het hoofd hebben geboden met één simpel zinnetje dat de mentaliteit van onze natie samenvat: ach, we zien wel.
Ach, we zien wel. Het is gezongen door de mosselvissers die in Breskens scheepgingen in de motregen, en door de gaswinners die in Slochteren met achteloos gemak hun gaten boorden in het drassige grasland: ach, we zien wel. Het is zachtjes gepreveld door dat dappere twaalfjarige meisje dat voorovergebogen in de regen en tegen de wind in naar school fietste en zich afvroeg of ze straks haar proefwerk wiskunde wel zou halen: ach, we zien wel.
Iedere keer dat er in onze geschiedenis een rimpeling in onze eeuwige zondagsrust verscheen, stond er meteen wel iemand op die riep: “Laten we in godsnaam onze kalmte bewaren.” Dat zei Wim Kok na de moord op Pim Fortuyn, en vandaag zeg ik het hem na: “Laten we in godsnaam onze kalmte bewaren.”
Want het is onze kalmte geweest die ons bracht waar we nu zijn. Terwijl andere kolonialisten hun energie verspilden aan het bekeren van de inboorling, gaven wij blijk van een VOC-mentaliteit: laat die inboorlingen maar gerust hun kralen, totempalen en peniskokers aanbidden, zolang er maar handel valt te drijven. En daarna? Ach, we zien wel.
Nooit heeft ons dat vreemde eergevoel dwarsgezeten dat al die andere Europese landen in zoveel zinloze twisten en bloedbaden heeft gestort. De Hollandse kracht is niet die van schouders eronder, maar van schouders ophalen. Ach, we zien wel.
Het is gefluisterd door boerinnen die ’s ochtends voor het kraaien van de haan gehurkt met blote handen in de uiers van koe Berta knepen zonder te weten wat de dag zou brengen. Ach, we zien wel. Het was de roep van aardappeltelers die hun land omploegden in de ijzige kou en met geen ander uitzicht dan de mist boven het land. Ach, we zien wel.
Het is het refrein van molenaars en klompenmakers, van de Waddeneilanden tot in het Drielandenpunt. Ach, we zien wel.
Het wordt gezucht door ambtenaren die op donderdagmiddag een dossier dichtslaan en in de trein stappen van Den Haag naar hun eensgezinswoninkje in Apekutjeveen. Ach, we zien wel.
Het wordt gelald door lebberkutten in joggingbroeken wanneer ze na alweer een dag van chipsvreten en tell-sell-koekeloeren hun smegmavulva’s laten volpompen door dokwerkers met ontstoken acne op hun scrotum: ach, we zien wel.
Maar Nederland, vergis je niet, vergis je niet. Die prachtige kalmte staat onder druk. Steeds meer landgenoten raken in de ban van gedrevenheid of ideologieën, of van huizenhoge ambitie. Weten zij dan niet, dat die alleen maar in teleurstelling kunnen uitlopen?
Hoe liep het af met de VOC? Hoe liep het af met Willem van Oranje? Hoe liep het af met Fokker, met Fortis, met Feyenoord, met Fortuyn, met Dirk Scheringa? Ambitie is het, die ze sloopte. Gebrek aan kalmte, die ze nekte.
Onze nuchterheid staat onder druk. Iemand roept ‘boe’ op een herdenkingsdienst en de Dam is in blinde paniek. Iemand roept ‘boe’ op de Beurs en de AEX duikt omlaag. Iemand roept ‘boe’ in de Tweede Kamer en er dreigt een volksopstand.
Laten we, in godsnaam, onze kalmte bewaren. Die wijze woorden sprak ons staatshoofd op het moment dat onze nuchterheid misschien wel verder weg was dan ooit in de geschiedenis.
Het zijn wijze woorden: rustig aan, laten we de boel bij elkaar houden, en kalm blijven. Niets aan de hand mensen, gewoon doorlopen.
Ik nodig u uit om samen met mij terug te keren naar dat simpele zinnetje dat de mentaliteit van onze natie samenvat: ach, we zien wel.
Hoe ziet de toekomst van ons mooie land er uit? Ach, we zien wel. Hoe redden we onze economie uit onze torenhoge staatsschuld? Ach, we zien wel. Zullen uiteenlopende bevolkingsgroepen zich samen staande gaan houden op deze luttele vierkante kilometers, waar Europa’s rivieren in afvloeien als in een doucheputje? Ach, we zien wel.
Wij, de mensen, zien wel. En met die mentaliteit zal het altijd úw overwinning zijn.
De weg voor ons zal niet gemakkelijk zijn. (Of misschien ook wel, dat weten we niet.) Misschien zullen we het niet redden in twee maanden, of zelfs niet in één kabinetsperiode. (En ach, misschien is het toch in twee weekjes gepiept, wie zal het zeggen). Maar Nederland, ik kan u wel vertellen dat ik nog nooit zo zeker ben geweest dat we er gaan komen, dan dat ik vanavond ben. (Of nou ja, daar ga ik wel een beetje vanuit. En anders is er ook geen man overboord.)
Zolang we het volgende hoofdstuk van het verhaal van Nederland maar beginnen met vier woorden die zullen klinken van de frietkramen aan het strand van Zandvoort tot aan de rijen voor het Openluchtmuseum in Arnhem: Ach We Zien Wel.
