2e prijs – categorie jong
2e prijs – categorie jong
Merel Meekes, 16 jaar
De oranje gloed deed het lijken of de zon, die uren geleden was onder gegaan, nu opnieuw het dorp bezocht en het vulde met een ongeëvenaarde warmte. Alsof zijn hete tranen in het licht van de maan vurige bloemen hadden doen ontspringen. De oranje bladeren liefkoosden het dorp met een verzengende hitte die alles dat niet snel genoeg weg kon komen, weg vrat en een spoor van zwart verlies achterliet. Het vuur verlichtte de bange gezichten van kinderen en toonde tranen op de wangen van de toeschouwers. De kleren die eerst nog zo vrolijk en mooi waren geweest, waren nu vuil en nat van de modder en het ven waar velen zich een weg doorheen hadden gebaand op de vlucht voor de tongen van vuur. Bloemenkransen lagen verdord en vernield op de grond en poppen werden tegen kleine lichamen gedrukt.
De gruwelijkste geluiden kwamen uit het dorp, afkomstig van dieren die niet meer gered hadden kunnen worden. Vlakbij werd een paard met brandende manen het ven in geleid en de stoom die opsteeg als signaal dat het dier gered was, deed heel even vergeten dat dit slechts een van de paarden was. De rook die steeds verstikkender werd, dwong de dorpsbewoners meer afstand te nemen van het prachtige helse schouwspel van hun grootste angsten.
Langzaam liet ze een zucht aan haar lippen ontsnappen en zag hoe de vlammen flakkerden en hoger de lucht in rezen. Precies zoals zij net nog hadden gedaan toen het nog een vreugdevuur was geweest.
De adembenemende schoonheid van het vuur leek haar te wenken terwijl het door de rook heen een cadans vormde met haar ademhaling. De vlammen likten aan de hemel en sintels dansten als vuurvliegjes in de lucht. Iets in haar wilde heel graag naar het vuur toe, en niet in staat zich te beheersen bewoog ze zich heel langzaam naar voren. Ergens in haar hoofd wist ze dat ze het moest laten, dat het gevaarlijk was, maar de drang was te groot. De rook vulde haar longen terwijl ze als in een trance dichterbij kwam. De vuur rees en daalde met haar borstkas. Ze voelde nu de warmte op haar gezicht. Het werd moeilijker om te ademen en de vlammen rezen hoog in de lucht terwijl haar lichaam snakte naar zuurstof.
‘Wat is ze aan het doen?’ werd er gezegd. De rook en warmte werden bijna ondragelijk terwijl de dorpsbewoners uit hun staat van schok kwamen. Ze kwam slechts enkele meters van haar eerdere plaats verwijderd tot stilstand, nog ruim buiten het bereik van het vuur.
‘Ze is een heks! Ze beheerst het vuur!’ gilde een vrouw achter haar. Ze negeerde de opmerking en sloot haar ogen in puur genot van de warme omhelzing van de hitte, die haar nooit zou meenemen naar de plaats waar hij over fluisterde. Ze wilde zo graag mee, naar het koninkrijk van vrede dat haar werd beloofd. Een heel klein stukje boog ze dichterbij, maar werd onmiddellijk gegrepen door handen die haar achteruit trokken. Ze zou de gevolgen van haar brandstichting voelen.
‘En ik had je nog zo verboden te spelen met de kaarsen!’ Pas toen hoorde ze wat de dorpsbewoners tegen haar zeiden. ‘Je verliest je grip op de realiteit veel te makkelijk! Vuur is gevaarlijk.’ Ze voelde plotseling weer de stoel waar ze al die tijd op had gezeten. De kaars voor haar werd gedoofd en ze was weer in de ruimte waar ze niet omheen kon, waar ze altijd naar terugkeerde. De zuster stond voor haar, maar ze kon niet luisteren naar de woorden die werden uitgesproken door de bewegende lippen. Ze staarde langs haar heen naar het schilderij van het feestende dorp aan de muur. De mensen begonnen te dansen rond het Meivuur en de muziek galmde nu door de ruimte waar deze helemaal niet thuis hoorde.
Met een klap op de tafel werd ze terug gebracht naar de werkelijkheid: ‘Nu is het genoeg, Katharina. Ik ga dit bespreken met de directeur en jij gaat terug naar de afdeling.’ Lichtelijk hysterisch, zo was ze deze zuster gewend. Nagels drukten zich in haar bovenarm terwijl ze werd meegetrokken naar haar slaapzaal. De zuster gooide de deur open, niet in staat haar woede jegens Katharina te beheersen. Ze was nu eenmaal een geval apart. Met haar honingkleurige ogen keek ze de zuster na, die na de deur op slot te hebben gedraaid door de gang was weg gestampt.
Zittend op haar bed keek ze naar buiten door het raam. Het sneeuwde. Witte vlokken wolken vielen naar beneden en vormden een zacht bed op het veld dat in de lente vol stond met krokussen en paardenbloemen. Het was net alsof de hemel naar beneden was gekomen om de aarde toe te dekken voor een periode van slaap die pas zou ophouden als de eekhoorns uit hun bomen kwamen en de zon weer warmte spreidde over het gras. Alsof de hemel haar een weg naar boven aanbood om als engel te leven op de wolken.
Een sleutel in het slot deed haar omdraaien en wegkijken van haar zoveelste dagdroom die haar de grip op de werkelijkheid jaren geleden hadden doen verliezen. De wereld was een grote droom geworden, en niemand begreep hoe het was. De deur ging open en een meisje, in postuur, gezicht, zelfs manier van doen gelijk aan haar, kwam binnen. Toen zij naar haar bed was geleid keek ze op. Honingkleurige ogen ontmoetten een paar diep paarse ogen. Niemand begreep de droom, behalve haar tweelingzus.
‘We zijn in de hemel beland,’ zei het meisje met de paarse ogen. ‘We zijn engelen, Katharina.’ Ze stond op en liep naar het raam toe.
‘Dat weet ik, Gabriëlla.’ Ze volgde het voorbeeld van haar tweelingzus en ging naar de sneeuw kijkend naast haar staan. Op het moment dat de handen van de twee meisjes zich verstrengelden begon het te sneeuwen in de ruimte: grote plokken wolken dwarrelden naar beneden terwijl twee identieke glimlachen verschenen op de gezichten.
