|
|
|
Winnaar De Nijmeegse Nieuwe – Categorie OudSpringen van de waalbrug
Jimmy Weijers (18 jaar) I never thought I’d die alone Blink 182- Adam’s song Ik kan je niet uitleggen hoe vervelend het is als je een doorligwond hebt en niemand merkt het op. Het jeukt en het prikt en niks kun je eraan doen. Om helemaal gek van te worden. Eigenlijk ben ik al dood, op het feit dat ik nog kan denken na dan. Ik heb me soms afgevraagd of ik al dood was. Dat ik nu een ziel ben die voor altijd rond zal zweven. Bespottelijk idee eigenlijk, maar toch. Nee, ik heb weer de pech dat ik ‘half doorleef’. Pats-boem-dood. Ik zou er op dit moment voor tekenen. Maar in plaats daar van wordt ik in leven gehouden door een machine die om de 5 seconde piept, heel irritant! Eigenlijk is dat ergens toch ook wel weer fijn, dan is er toch nog een voordeel als ze de stekker er uittrekken, dan hoor ik die piep tenminste niet meer. Pap en mam zullen binnenkort trouwens wel die stekker er uithalen. Best cool eigenlijk om door je ouder om zeep te worden geholpen. Dan heb ik in ieder geval een mooi verhaal voor daarboven. God, laat er alsjeblieft een daarboven zijn… M’n hele leven zit het al niet mee. Pech is een te groot woord, maar dat het me tegenzit is wel duidelijk. Ik ben iets te zwaar, heb een bril, een moeilijke huid en ben eigenlijk nergens goed in. Een dikke, bebrilde puistenkop zonder talent en ambitie dus. Maar ook was ik gewoon een jongen die z’n best deed op school, goed piano kon spelen, de snelste sudoku-puzzelaar van Nederland was en als grootste wens had om ooit van de waalbrug af te springen. Klinkt raar, dat weet ik best maar ik had als grootste verlangen om ooit van die brug af te springen. Alleen al om voor die enkele secondes die complete vrijheid te voelen. Toen ik laatst 18 werd wilde ik het doen. Ik vond de gelegenheid er in ieder geval speciaal genoeg voor. Ik reed naar de waalbrug maar het water in de waal was bevroren. Het was ook eens niet zo geweest. En nu dit. De klapper op de vuurpijl zegmaar. Koen, een vriend van me, zei een keer: ‘God benadeeld ieder mens wel eens’ daarmee duidde hij op een (minuscuul) puistje op zijn kin. ‘God is bij mij wel héél genereus geweest’ dacht ik toen. Eerst was ik boos maar al gauw merkte ik dat dat weinig zin had. Als je boos bent moet je namelijk je woede kwijt zien te raken, en aangezien niks, maar dan ook niks meer wekt aan mijn lichaam blijft die woede alleen maar opgekropt zitten. Alsof je tijdens een vergadering een hele harde scheet moet laten. Dus heb ik inmiddels maar geaccepteerd dat ik hier lig, dat iedereen denkt dat ik hersendood ben en dat mijn laatste erectie werd veroorzaakt door de mediatheekdame. Waarom weet ik ook niet, het mens is 40 jaar ouder dan ik! Vanmiddag komt m’n voetbalteam langs hoorde ik mam gister zeggen. Ze zijn al eens eerder geweest, maar zo te horen hadden ze veel liever een balletje getrapt. Ik was nou ook niet echt bepaald een toegevoegde waarde aan het team, om het maar zo te zeggen. Ik vond er ook niks aan, maar ik kon thuis moeilijk aankomen met de mededeling dat mijn hart eigenlijk bij het dansen lag. Mijn vader heeft me van jongs af aan altijd gepusht om te voetballen, om een echte kerel te worden en er bij te horen. Toen dat hopeloos mislukte besloot hij alleen voor het hoogstnoodzakelijke met me te communiceren. De afstandsbediening en de mayo, dat waren voornamelijk onze gespreksonderwerpen. Mijn moeder hield onvoorwaardelijk van me, al proefde ik toch ook bij haar enige teleurstelling. Mijn moeder is echt zo’n moeder die je klas binnenloopt om je broodtrommeltje te komen afleveren. Dat is niet gebeurd hoor, maar dat kwam meer omdat ik nooit mijn broodtrommeltje vergat. Ja, ik had een broodtrommeltje ja. Raar dat ik nu al in de verleden tijd over mezelf denk, zelfs ik ga er al vanuit dat ik al dood ben. Mijn vader vond het laatst nodig om zijn hart te luchten aan mijn bedrand. Hij voelde zich duidelijk niet gemakkelijk en hij vertelde me hoeveel hij van me hield en dat hij gefaald had als vader. Ik kon wel kotsen, ware het niet dat ik dat niet meer kan. Eens te meer omdat mam achter hem stond en hem zo’n beetje dwong tot deze woorden. Ik lig dan wel in coma, maar ik ben heus niet achterlijk hoor. Ik weet echt totaal niet hoelang ik hier al lig. ’t Kunnen weken zijn, maar ook maanden. Mijn verwondingen zijn intussen geheeld, op die doorligwond na dan. Shit, niet aan denken! Niet aan denken! Het enige wat ik me nog kan herinneren was dat ik van Lent naar Nijmegen reed met m’n gloednieuwe Opel Corsa. Het regende en ik klapte op een lantaarnpaal. Ik ramde niet eens iemand anders zodat ik in ieder geval nog zou weten dat iemand anders ook in deze misère ligt. Een fucking lantaarnpaal, Jezus! Net 18, en dan krijg je dit. Ik heb er zo helemaal genoeg van. Trek die kutstekker er maar uit, geef me een kus en tot ziens. Ik zit hier gewoon gevangen in m’n eigen lichaam. Een beetje cliché maar ’t is toch echt zo. Ik hoorde van een dokter dat ze me uit ’t water hebben gevist. Ik ben dus waarschijnlijk door de voorruit gevlogen en over de reling gevallen. En zo ben ik in de waal beland. Hoe ironisch: je grootste wens is ook meteen je laatste. Dan toch ben ik gesprongen. |
|
|
|
|